Als schrijver kun je heel veel kanten op met wat je schrijft: er zijn eindeloos veel keuzes te maken, eindeloos veel dingen om over na te denken en uit te werken, ontzettend veel regel- en priegelwerk voordat je verhaal echt vorm begint aan te nemen. Maar al die keuzes kunnen met z’n allen ook een flinke valkuil vormen. Niet zozeer een foute keuze – want foute keuzes bestaan niet bij zoiets als schrijven – maar meer de eindeloze mogelijkheden. Als beginnend schrijver kun je totaal de kluts kwijtraken door alle opties en dan is het moeilijk om orde te scheppen in dat alles. Het onderwerp van deze Writing Wednesday betreft zo’n oase van opties: het vertelperspectief en de vertelmogelijkheden. Welke kanten kun je op, wat zijn de voor- en nadelen van de mogelijkheden en hoe pak je het slim aan om een keuze te maken?

Het vertelperspectief: de stem van je verhaal

Het vertelperspectief is zoals hierboven al staat, de stem van je verhaal. Het perspectief bepaalt hoe de lezer alles ervaart, hoe het verhaal wordt verteld, welke kanten wel en niet aan bod komen, in welk referentiekader het verhaal bij de lezer terechtkomt. Er zijn verschillende mogelijkheden:

  • Ik-verteller: lijkt me vrij logisch, de ik-persoon. Het verhaal leest dan als een dagboek.
  • Personele verteller: deze komt het meest voor: de derde persoon, oftewel de hij/zij-verteller.
  • Alwetende verteller: ook wel de auctoriale verteller genoemd. Deze zie je niet zo vaak en is ook vrij lastig te herkennen: de ik- en personele verteller spelen zelf een rol in het verhaal, maar de auctoriale verteller staat er meestal buiten terwijl hij wel alles weet. Het is een soort stem van God, zeg maar.
  • Meerdere perspectieven/wisselperspectief: sterk af te raden als je nog niet zo ervaren bent in het schrijven, maar het kan je verhaal wel net dat beetje extra diepte en lading geven. Je kunt bijvoorbeeld het ik-perspectief en de personele verteller met elkaar afwisselen, wat ik doe in mijn historische roman. Dat kan goed werken in een verhaal dat zich bijvoorbeeld afspeelt in twee verschillende werelden of tijden, zodat je ook onderscheid en duidelijkheid schept.

Er is niet echt een beste mogelijkheid voor het kiezen van een perspectief: het ligt vooral heel erg aan het verhaal en de personages. Je kunt er gerust een beetje mee oefenen, dan ontdek je vanzelf de verschillen en de voor- en nadelen. Bij de ik-verteller is het bijvoorbeeld zo dat de visie op het verhaal beperkt is omdat het maar uit één persoon verteld wordt; bij de personele verteller is het soms te afstandelijk en te onpersoonlijk en bij de alwetende verteller wordt er ook al snel onduidelijkheid en afstand gecreëerd.

Vormen van tijd: de loop van je verhaal

Tijd is een belangrijk onderdeel van het verhaal. Het bepaalt de snelheid, de loop, de duur en meestal ook de vlotheid waarmee het leest. Je moet dus voor je concreet gaat schrijven niet alleen bepalen welke vorm van tijd je gaat aanhouden – verleden tijd, tegenwoordige tijd of toekomende tijd – maar ook welke tijdsoppervlakte je verhaal gaat bestrijken. Wanneer begint het, en wanneer eindigt het? Hoeveel tijd verstrijkt er in de tussentijd? Lezers houden van duidelijkheid en willen graag weten in welke levensfase de personages en de plot zich bevinden, dus het is raadzaam om te zorgen dat de tijd correct verloopt en dat dat verloop ook duidelijk is.

Er zijn drie vormen van tijdsperspectief:

  • Tegenwoordige tijd: alles verloopt in de tegenwoordige tijd, zodat je lezer er echt in gezogen wordt en gemakkelijk het gevoel krijgt overal bij betrokken te zijn.
  • Verleden tijd: de meest gebruikte vorm van tijd: je schrijft alsof alles al gebeurd is. Dit leest in principe prettiger, maar kan in sommige gevallen juist een soort ongewenste afstand creëren.
  • Toekomende tijd: wordt bijna nooit gebruikt: als schrijvers op deze manier schrijven, is dat heel bijzonder. Het is ook enorm lastig: je schrijft alles alsof het nog zal gaan gebeuren en daar moet je als schrijver én als lezer behoorlijk bij nadenken.

Ook hier weer ligt de keuze tussen tegenwoordige, verleden en toekomende tijd erg aan het verhaal en aan wat je zelf prettig vindt. Ik schrijf zelf eigenlijk altijd in de verleden tijd, gewoon omdat ik dat ook het liefste lees en omdat ik mezelf er vaak op betrap toch weer in de verleden tijd te gaan schrijven als ik de tegenwoordige tijd gebruikte. De toekomende tijd is iets om mee te experimenteren, maar zou ik sterk afraden als je nog niet zo ervaren bent want het schrijft erg lastig en je moet precies weten wat het nut ervan is binnen het verhaal.

Verloop van tijd: de levensfase van je verhaal

Over tijdsverloop binnen je verhaal kan ik eigenlijk alleen maar zeggen dat je er goed over moet nadenken. Markeer voor jezelf én voor je lezer het punt waarop het verhaal begint, bijvoorbeeld door duidelijk te melden welke dag, maand en welk jaar het is. Tussendoor is het vaak ook belangrijk om aan te geven hoeveel tijd er is verstreken: auteurs maken in mijn ogen vaak de fout dat dit niet duidelijk is en dat probeer ik zelf te vermijden. Bij verhalen waarin de tijd erg belangrijk is, zoals een historische roman, moet je daar nog meer op letten: dan is het bijvoorbeeld wijs om boven elk hoofdstuk een jaartal te zetten omdat je met geschiedenis algauw de kluts kwijtraakt, zeker als heden en verleden door elkaar lopen zoals bij mij. Ook aan het einde van je verhaal geldt weer: geef een datum, een moment, zodat je lezer ook kan bedenken hoeveel tijd er is verstreken. Of nog beter, geef bijvoorbeeld in de epiloog een soort samenvatting van de tijd die is verstreken.

Flashbacks en flashforwards kunnen ook heel goed helpen. Als je verhaal zich niet leent voor het beschrijven van elk moment, kun je kiezen voor tijdsprongen. Ik geef dan de voorkeur aan een tijdsprong in vogelvlucht: dan beschrijf je kort, bijvoorbeeld één alinea van gemiddelde lengte, wat er in een bepaalde periode tussen twee punten gebeurt of is gebeurd en daarna ga je verder naar de nieuwe fase. Bij flashbacks is het wel belangrijk dat je aangeeft naar welk moment, welke levensfase en welke datum je personage in gedachten teruggaat, anders raakt je lezer in de war. Met flashforwards moet je eveneens uitkijken: ook daarbij moet je aangeven dat het een denkbeeldige gebeurtenis is, dat het niet echt is maar een could be of could have been. Alles voor de duidelijkheid van de lezer!

You may also like...

1 Comment

  1. Drie aspecten waar je goed over na moet denken voordat je begint! 😉 Leuk artikel!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

CommentLuv badge

[instagram-feed]