Kerstverhaal | Meneer Klaassen

Onder Schrijven op 24 december 2016

Christmas is simply about cherishing the most wonderful things in life: hope, laughter, new beginnings, love, happiness and memories.

Ik heb haar vijf jaar niet gezien. In die vijf jaar zijn er ontelbaar veel momenten geweest waarop ik aan haar dacht, me afvroeg hoe het met haar ging. Er waren ontelbaar veel momenten dat ik in de boekhandel iemand in haar boek zag bladeren en het niet kon nalaten om trots glimlachend te zeggen: ‘’Kanjer, hè? Ik heb haar nog in mijn bus gehad, toen ze een ukkepuk was.’’ Ik las al haar artikelen over onderwijs en literatuur in de kranten en tijdschriften, ik keek naar video’s van de speeches en interviews die ze gaf en ik las zelfs de stukken op haar blog voor girlbosses, ook al stond ik zo ver van de doelgroep af als maar mogelijk was.

Maar vijf jaar lang heb ik haar niet gezien, haar stem niet gehoord, de twinkeling in haar ogen en de boodschap in haar trekken niet kunnen lezen. En dat vond ik niet erg, want zo gaat dat nu eenmaal met mensen: ze komen in je leven, gaan iets voor je betekenen, en soms blijven ze – maar soms verdwijnen ze ook weer. Ik zag haar voor het laatst toen ik haar naar de hogeschool bracht voor haar diploma-uitreiking. De blik op haar gezicht, de stralende glimlach, de wijdopen ogen vol verwachting en oprechte trots en tevredenheid, vol puur geluk, zal ik nooit vergeten. Dat was ze ten voeten uit.

En nu… nu staat ze voor mijn deur. Op kerstavond. Diep weggedoken in een grijze jas met zwarte sjaal vol glimmertjes en dito muts. Ze leunt lichtjes op een kruk, haar in zwarte laarzen gehulde voeten staan nog steeds niet stevig. Ze wordt verlicht door mijn buitenlamp, en ze lijkt hier zo ontzettend niet op haar plaats. Maar ze is het. Ze is wat gegroeid en haar gezicht is wat gladder geworden, maar verder ziet ze er nog precies hetzelfde uit.

Voor ik genoeg van de schrik bekomen ben om iets te zeggen, doet zij haar mond al open. Ik heb haar zien veranderen van een stil en verlegen meisje dat alles maar over zich heen liet komen in een babbelkous die op haar strepen durfde te staan. Ze glimlacht een beetje aarzelend. ‘Ik hoop dat u me nog kent. Ik had waarschijnlijk moeten bellen, maar dat is nooit mijn sterkste kant geweest en ik had ook geen nummer. Uw adres was een gok dat het nog hetzelfde zou zijn, dus…’

‘Nee joh, ben je gek’, haast ik me te zeggen.  ‘Natuurlijk ken ik je nog. En ik… vind het helemaal niet erg dat je hier bent. Maar wat…’

‘Ik weet het’, valt ze me in de rede. ‘U vraagt zich af wat ik hier doe. En eerlijk gezegd… heb ik geen idee. Ik was het niet van plan. Maar het is kerst, en niets gaat zoals ik had gehoopt vandaag. Mijn ouders vieren kerst in een romantisch kasteel, mijn vrienden zijn allemaal bij familie en mijn zus zit in Londen met de feestdagen. Allemaal niet erg, want ik zou kerst vieren met mijn vriend, maar die heeft het vanmiddag uitgemaakt omdat hij verliefd is op een ander. En toen had ik ineens niemand om kerst mee te vieren.’ Ze haalt diep adem en ik weet gewoon dat ze de grootste moeite doet om niet in tranen uit te barsten. ‘Het is ook zo… de afgelopen weken heb ik steeds taxidienst gehad op de school waar ik lesgeef en dan leer je de chauffeurs wel kennen, als ik de leerlingen naar de busjes moet begeleiden en zo. En er was een man, de manier waarop hij met de kleintjes omgaat en de grotere kinderen even toespreekt of aankijkt… dat deed me zo denken aan u. En ik kan soms ontzettend impulsief zijn, té impulsief vaak, dus opeens was ik hier.’

Ik weet niet waarom ze hier precies is, wat ze wil of verwacht, en waarom het uitgerekend op kerstavond gebeurt dat onze paden elkaar weer kruisen. Maar ik weet wel dat ik dit meisje, zevenentwintig jaar maar met de houding van een kind, niet in de kou kan laten staan. Niet met kerst, maar ook op elke andere avond niet. En dus doe ik een stap achteruit en steek een hand naar haar uit om haar de hoge drempel over te helpen. ‘Kom erin. Het eten is bijna klaar.’

Na mijn studie geschiedenis werkte ik twintig jaar lang in de antiekwinkel van mijn opa. Ik verkocht spullen met bijzondere verhalen aan bijzondere mensen en ik genoot er met volle teugen van. Tot de liefde van mijn leven MS bleek te hebben en ik binnen een fractie van een seconde had besloten dat ik voor haar wilde zorgen. Ik verkocht het winkelpand aan de Coolsingel voor een mooi bedrag, veilde de winkelvoorraad op een veiling voor liefhebbers van geschiedenis en antiek en hield een goed kapitaal over om zonder uitkering van te kunnen leven. Maar ik bleek niet tegen thuiszitten te kunnen, waardoor Emma me ervan overtuigde dat ik moest gaan werken omdat zij het wel redde met de hulp van een lieve verpleegkundige die ook fysiotherapeute was. De antiekhandel was een afgesloten hoofdstuk en via een vriend kwam ik terecht in het gemeentevervoer. Het betaalde niet veel, maar het bracht voldoening. Ik leerde ontzettend veel over mensen en het voelde goed om hen te helpen te doen wat ze graag wilden doen.

Naast ouderenvervoer deed ik ook schoolvervoer en zo leerde ik Lotte kennen. Ze was één van de kinderen die ik naar de speciale basisschool bracht en dat ging maar liefst zeventien jaar lang zo door. En ik zag haar veranderen. Groeien. Het kleine meisje dat vaak sliep of haar blik op oneindig had staan, was steeds vaker aan het lachen en keten met de anderen, waarvan veel in haar klas zaten. Soms huilde ze omdat ze zich niet lekker voelde of niet naar school wilde. Soms maakte ze zich te moe met de lol die ze had en dan kon ze helemaal wit worden. Ik zag hoe ze voor het eerst vreselijk verliefd werd op een jongen die een paar klassen hoger zat dan zij. Ik zag hoe ze steeds vaker met een boek in het hoekje zat en daar intens van kon genieten, ook omdat ze leerde dat ze niet per se aanwezig hoefde te zijn. Later moest ik beter op haar letten omdat ze soms misselijk werd of rugpijn had. Ze was één van de kinderen in het busje, maar ik dacht vooral aan haar als ik aan die groep dacht.

Toen ze naar de middelbare school ging, werd ik haar privéchauffeur: ze kon maar halve dagen gaan omdat het haar anders te moe zou maken. Het was de omgekeerde wereld: ’s ochtends sliep ze als een blok, ’s middags zat ze vaak alleen maar te lezen – tot ze loskwam. Ik zag haar maar een uurtje per dag, maar ik wist precies wat er in haar omging. Ik zag de vriendinnen die haar soms naar de bus brachten zodat ze nog wat langer konden kletsen. Ik zag de schittering in haar ogen als ze het leuk had gehad op school. En ik kreeg haar steeds vaker aan het praten: over school, haar vrienden, de leraren, wat ze leuk vond om te doen. Ik gaf haar tissues en liet haar huilen toen een vriendin van haar plotseling overleed aan een heftige longontsteking. Ik ontdekte welke muziek ze leuk vond door verschillende radiozenders te proberen en het volume harder te zetten als ze daar verlegen om vroeg, waarna ik albums downloadde en die voor haar afspeelde. Soms was ze er dagen- of wekenlang niet en dan was ze altijd wat bedrukter, maar ook praatgrager. Ik was, zoals ze een keer uitdrukte, ‘’de vreemde met wie je soms zo makkelijk kunt praten.’’ En dat vond ik fijn: ik leerde wanneer ze liever met haar gedachten alleen wilde zijn en wanneer ze wilde praten. Over haar ziekte, stress, vriendschap. Ik zag haar genieten en glunderen als ze vriendinnen mee naar huis nam en ik zag haar giechelen en glinsteren toen er voor het eerst een jongen mee reed. Rond haar verjaardag gaf ik haar een boekenlegger of een notitieboekje; met kerst kreeg ze iets voor in de kerstboom. En we ontwikkelden een misschien niet zo orthodox, maar wel heel leuk ritueel: soms, als er file stond of als we heel vroeg waren, reden we naar een poffertjeskraam in de stad en haalden daar van dat heerlijke zoete goud, dat we in de bus op een parkeerplaats opaten. Haar moeder moest erom lachen, vertelde ze als ik me zorgen maakte wat ervan gedacht zou worden. ‘Het kon erger’, zei ze dan met volle mond. ‘U zou ook zo’n chauffeur kunnen zijn die gehandicapte kinderen misbruikt.’ Daar kon ik het dan weer mee doen.

Ze haalde haar eindexamens en toen zag ik haar veranderen. Ze begon op het hbo, en die zomer zag ze eruit alsof ze helemaal klaar was voor haar toekomst. En wat voor toekomst: met elke maand die verstreek, bloeide ze meer op. Jazeker, ze was moe en het was zwaar. Maar ze kon vol geestdrift vertellen over haar leerlingen, haar lessen, de dingen die ze belangrijk vond in het onderwijs. Ik zag hoe ze echt iemand werd, hoe ze ergens voor begon te staan, hoe ze zichzelf begon te leren kennen. Onze gesprekken waren doorspekt met grappen en vrolijkheid, maar ook met rake opmerkingen en discussies. Ze praatte met me over wat ze lastig vond, over de medestudenten waar ze niet echt bij leek te horen maar ook weer wel, over de leerlingen waar ze soms moeite mee had, over haar sterke en minder sterke punten, over haar onzekerheden. En ik gaf peptalks, of dat probeerde ik althans. En blijkbaar lukte het, want ik zei dingen waardoor haar gezicht ineens open ging en ik wist dat ze tot een inzicht gekomen was. Ze zei het ooit: ‘U doet me dingen beseffen die ik al weet, maar nog niet weet.’

Het was elk jaar weer een beetje geregel om te zorgen dat ik haar privéchauffeur mocht zijn, en elk jaar weer zei ik dat ze vooral niet te veel moeite moest doen. Maar elke keer maakte ze duidelijk dat ze het zelf heel graag zo wilde, en elke keer lukte het. Tot ze het zelf stopzette. Ik reed haar naar de uitreiking van haar bachelor en ze vroeg aan me of ik mee naar binnen wilde. ‘Mijn studiebegeleider gaat speechen over hoe trots iedereen waarschijnlijk op me is en er gaat vast heel veel gehuild worden en ik heb zelf een knaller van een praatje voorbereid’, lachte ze, terwijl ik kon zien dat ze zenuwachtig was. ‘En eigenlijk hoort u er ook wel bij. Ik zou een boek vol kunnen schrijven over alle keren dat ik mijn hart heb kunnen luchten en mijn hoofd leeg heb kunnen maken. Over alle keren poffertjes en carpoolkaraoke. Over… alles. Hoe dankbaar ik ben dat u steeds mijn chauffeur bent geweest.’

Ik wimpelde het beleefd af, want ik vond dat ik daar niet hoorde: ik was nog altijd een buitenstaander, ik kon haar met geen mogelijkheid kennen zoals de mensen daar haar kenden. Maar op de terugweg, toen ze straalde in een niet te definiëren zin van het woord, en me vertelde dat ze naar Leiden ging verhuizen om een universitaire master te doen en les te gaan geven op een innovatieve school, wou ik dat ik wél mee naar binnen was gegaan. Ik had een stukje van haar dat niemand anders had, daar durfde ik iets om te verwedden. Maar ze was zo bijzonder dat ik maar wat graag ook het stukje van haar had gehad dat alle anderen toebehoorde.

Ze zit op de bank, in het hoekje naast de kerstboom. Haar laarzen heeft ze uitgetrokken, haar knieën opgetrokken en in haar handen heeft ze een warme kop thee met een stuk verse kruidkoek. Mijn vrouw is samen met de hulp in de keuken bezig en op televisie staat het Kerstfeest op de Dam aan. En Lotte  vertelt over de afgelopen jaren: hoe ze zichzelf eigenlijk steeds kwijtraakte en weer tegenkwam, hoe ze zichzelf steeds opnieuw uitvond, over het lesgeven en haar inspiratiestichting voor jongeren, over haar romans en lifestyleboeken, haar relatie van drie jaar, haar vrienden, over de talloze lessen die ze in de afgelopen tijd over zichzelf heeft geleerd.

‘Ik voel me een beetje verloren’, besluit ze haar verhaal. ‘Alles wat ik doe… het geeft voldoening, het maakt me gelukkig. Lesgeven, schrijven, de stichting. En ook alle andere dingen, boeken lezen, familie, noem het maar op. Maar hoe cliché het ook is, sinds mijn afstuderen merk ik hoe móeilijk het ook eigenlijk is.’

‘Het leven?’ vraag ik nuchter.

Ze glimlacht. ‘Ja, het leven. Geen handleiding meer waar precies in staat wat je moet doen en hoe, zoals op school. Geen begeleiders die het wel voor je oplossen als het even niet lukt. Geen moeder die er altijd is om een kopje thee te drinken en met je te praten. Geen vaste chauffeur die je meeneemt om poffertjes te eten en te praten over de zin van het leven.’

Ik moet lachen. ‘Je hebt het volgens mij prima zonder mij gered.’

Haar gezicht wordt weer ernstig. ‘Misschien wel. Ik weet ook best dat het me allemaal best goed is af gegaan, ondanks mijn ziekte en alles. Het is me wel gelukt om te komen waar ik wil zijn. Maar… ik ben volwassen geworden, met vallen en opstaan, en nog steeds bega ik soms stommiteiten. Nog steeds ga ik af en toe keihard op mijn bek en heb ik soms gewoon geen idee, in de verste verte niet, hoe ik iets moet aanpakken. Nog steeds is het soms echt knap lastig. En ik denk dat dat ook niet erg is, want daardoor blijf je leren en verbeteren. Maar het is wel… ik weet niet, ik voel me…’

‘Berooid? Belazerd? Voor de gek gehouden door het leven?’

Ze knikt. ‘Ja. Ik dacht dat het makkelijker zou zijn. Dat alle stukjes, die op hun plek vielen toen ik afstudeerde, daar ook zouden blijven liggen. Maar in plaats daarvan ontdek ik nog steeds nieuwe stukjes. En sommige stukjes kloppen niet, ze liggen verkeerd of er staat iets heel anders op. Dan denk je dat je iemand hebt gevonden om de rest van je leven mee samen te blijven, en dan dumpt hij je voor een ander.’

Ik slaak een zucht. ‘Hij is een idioot als hij jou in de steek laat. Maar ook de liefde, schat… de liefde is raadselachtig en vreemd en er is soms geen touw aan vast te knopen. En zo is het met het leven ook, weet je. Uiteindelijk doen we allemaal maar wat. We doen allemaal gewoon ons best. En dan mogen we best toegeven dat we geen flauw idee hebben. Want ja, soms belazert het leven je, en flink ook. En dan moet je er zelf maar weer uit zien te komen.’

Ze grinnikt. ‘Of je klopt bij je wijze oude buschauffeur aan. Die heeft altijd goede raad.’

Ik werp mijn ogen ten hemel. ‘Ik doe ook maar wat. Dat mijn kijk op het leven jou helpt, is ook maar toeval.’

‘Grote geesten denken hetzelfde’, grapt ze, maar ik denk dat het niet echt een grapje is. Ze gaat verder: ‘Ik ben altijd wel aan u blijven denken, weet u. Als ik sympathieke buschauffeurs van mijn leerlingen ontmoet, maar ook als ik in zo’n crisis zit en het even niet meer weet. Dan denk ik wel eens na over wat u erover te zeggen zou hebben.’

‘En, wat is dat dan?’ vraag ik.

Ze haalt haar schouders op. ‘Meestal dat ik even goed moet uithuilen en dan mijn schouders er weer onder moet zetten. Of dat ik de eer aan mezelf moet houden. Mijn eigen geluk moet zien te maken in plaats van het van anderen te laten afhangen. En soms blijft het stil. Dan weet ik dat ik moet doen wat voor mij het beste voelt.’

‘Klinkt inderdaad als een wijze oude man, die buschauffeur van jou’, knipoog ik naar haar. Ze lacht en wendt haar blik af, die naar de kerstboom glijdt. Ze bekijkt elk van de antieke ballen, allemaal in pastelkleuren. Op de Dam wordt Féliz Navidad gezongen. ‘Ik vond kerst altijd heerlijk’, zegt ze. ‘Nog steeds wel. De boom, eten met lieve mensen, soms wat kleine cadeautjes, naar de kerk… het heeft echt betekenis. Dat je goed moet zijn voor de mensen om je heen, ook als je ze niet goed kent. Dat je mensen een kans moet geven. Dat je dankbaar moet zijn voor alles wat je hebt en de herinneringen die je in het afgelopen jaar hebt vergaard. Dat je goed moet doen en dat het goede dan ook jouw kant op zal komen. Maar nu, op dit moment… ik weet het niet. Alles voelt normaal, en toch voelt alles anders. Zoals ik hier zit, vanavond, bij u… hoe kóm ik hier?’

Ik sta op en ga naast haar zitten. ‘Weet je wat ik altijd het mooie vind van kerst?’

Ze humt nieuwsgierig.

‘Dat het een boodschap geeft van hoop. Van mogelijkheden. Van een nieuw begin. Liefde. Je hoeft er niet te veel achter te zoeken: ik vind het mooi dat kerst mij altijd het gevoel geeft dat er mooie dingen aan gaan komen, als je je er maar voor openstelt. Dat je het leven en de mensen om je heen moet vieren, omdat daar herinneringen van gemaakt worden: van oprecht geluk. En het maakt niet uit wie die mensen dan zijn of waar je zelf staat. Gewoon vieren. Open staan. Oprecht.’

Ze kijkt naar de lichtjes in de kerstboom en naar de kaarsen die eronder staan te flakkeren. ‘Dat ben ik. Altijd ergens heel veel achter zoeken. Te veel nadenken, me zorgen maken.’

‘Misschien moet je daar dan eens mee ophouden. Gewoon genieten. Koesteren wat je hebt. Dat is hoe ik je het liefste zag als ik je in de bus had: je straalde als je een mooi boek las, in gedachten verzonken was over mooie momenten, luidkeels meezong met een lievelingsliedje, als je vertelde over je ideeën en belevenissen, als je het gezellig had met iemand of als je grapjes maakte. Op dat soort momenten denk je niet na, Lotte. Dan bén je er gewoon. Ken je die dagen dat je je vervuld voelt van ultiem geluk? Dagen die niet perfect zijn, maar waarop je wel tevreden en optimistisch bent omdat je je goed voelt en blij wordt van je leven? Dat zijn de dagen die het meeste op kerst lijken. Dat zijn dagen, momenten, ervaringen die een mensenleven waard zijn. Die wil je koesteren.’

Ze kijkt me bedachtzaam aan. ‘U bent er één uit duizenden, weet u dat? U bent… al die uren dat ik bij u in de bus zat, met u praatte, fracties van mijn leven en mijn persoonlijkheid met u deelde, het lijkt misschien maar heel weinig en onbeduidend. Maar bij elkaar zijn die momenten ook een mensenleven waard. U bent iemand die in zekere zin meer voor mij en mijn hele leven heeft betekend dan sommige mensen die ik al ken sinds mijn geboorte. U was de vreemde die een bijzonder soort vriend werd. De vreemde aan wie ik mezelf durfde te laten zien, en daardoor ging ik mezelf ook zien. Dat is wat ik koester. En ik kan u niet genoeg bedanken dat ik hier vanavond mag zijn.’

Voor ik kan reageren, is ze al opgestaan en geeft ze me een knuffel. Mensen denken er misschien het hunne van, een ouwe grijsaard en een jonge vrouw die zo close zijn als wij, een buschauffeur en een meisje die een vriendschap hebben opgebouwd, maar voor ons is het een mensenleven waard. En dus knuffel ik haar voor zolang ze het maar nodig heeft.

‘Zijn jullie klaar met die tranentrekkerij? We kunnen aan tafel!’ Mijn grote liefde begroet het meisje dat de dochter is die we nooit gehad hebben en in de daaropvolgende uren genieten we van een kerstdiner met anekdotes, muziek, grappen en poffertjes als toetje, vanwege die goeie ouwe tijd. Tijdens het eten kan ik alleen maar vol tevredenheid en een vleugje trots naar haar kijken en me realiseren dat kerst niet alleen maar draait om koestering. Er is ook een vleugje magie. Het is niet voor niets dat dit meisje op kerstavond op mijn stoep stond en nu al veel meer opleeft dan toen ze binnenkwam. Kerst draait om kleine wonderen. Kleine lotsbestemmingen. En ik denk dat dit er eentje was, voor haar.

We hebben het in ons hoofd gehaald om naar de kleine, maar knusse kerstmarkt in het dorpscentrum te gaan. En ook al is het koud, ik vind het fantastisch: alles is sfeervol verlicht, de kraampjes liggen vol schattige kerstspulletjes, lekkernijen en bijzondere dingen als memory jars en speciale brievendozen voor letters to your future self. Een koor zingt klassieke en populaire kerstliedjes en iedereen loopt met een lantaarn als symbool voor het licht. Ik voel me gelukkig. Ik weet niet wat me ertoe heeft gebracht naar het huis van mijn oude buschauffeur te gaan, misschien heeft iets me wel gestuurd of op het juiste pad gebracht, maar ik ben er blij om. Het voelt een beetje als thuis, en het heeft mijn verlorenheid een beetje verdreven. Want hij heeft gelijk: eigenlijk gaat het er in het leven om dat je er het beste en het mooiste van maakt. Dat is iets wat ik eigenlijk altijd al probeerde te doen, maar soms is het moeilijk. Maar onmogelijk wordt het nooit.

Ik loop in mijn eentje van stalletje naar stalletje: hij is met zijn vrouw wat mensen gaan begroeten en ik vind het fijn om even met mijn gedachten alleen te zijn. Dit is een kerst die volledig anders is uitgepakt dan ik had verwacht, maar het is wel een kerst om me te blijven herinneren. Kijkend naar de mensen die hand in hand lopen, luisterend naar de muziek en genietend van de sfeer en de warmte die van alles uitgaat, realiseer ik me dat ik het goed heb. Het leven is niet makkelijk, maar de wijze oude chauffeurmeneer heeft gelijk: als je je oprecht openstelt voor wat het leven te bieden heeft, brengt het je een hoop moois. Ik heb al heel veel dingen bereikt die me nog elke dag trots en gelukkig maken, en ook al zijn die dingen ook moeilijk en zwaar… het zijn wel de dingen die ik me zal blijven herinneren, de dingen die tot in het diepst van mijn ziel belangrijk voor me zijn. De dingen die mijn leven mooi en bijzonder maken, net als de mensen om me heen dat doen.

Ik loop naar een kraampje waar glühwein wordt verkocht en bestel een bekertje. De wijn vervult me met warmte en een fijn gevoel van behaaglijkheid en tevredenheid. Dit is het. Het ‘’alles is goed en wat er niet goed is, komt goed’’-gevoel waar hij het over had, het geluksgevoel, het gevoel dat ik koester. Ik ben gelukkig. Die bizarre puzzel van een leven maakt me gelukkig. Wat er ook gebeurt, ik heb het in me om voor mijn eigen geluk te kiezen en ik doe niets liever.

‘Lotte? Ben jij dat? Van De Eilanden?’

Ik draai mijn hoofd om en mijn mond valt prompt open als ik de jongen naast me herken. Hij is dik ingepakt, maar zijn ogen, de sproeten op zijn gezicht, de ronde wangen, de lach – het is nog steeds hetzelfde. ‘Mark?’

‘Wauw.’ Hij lacht, en het is absoluut dezelfde lach. ‘Jeetje. Dat is wel… hoe lang geleden? Vijftien jaar?’

‘Op zijn minst’, knik ik. ‘Ik heb je nooit uit het oog willen verliezen. Je was één van de enige met wie ik echt goed bevriend was.’ De woorden zijn eruit voor ik het weet.

Hij haalt zijn schouders op. ‘Zit er maar niet over in, zo gaat dat. Bovendien… als twee mensen echt in elkaars leven horen te zijn, dan vinden ze hun weg wel weer naar elkaar terug.’

Ik krijg kippenvel als hij dat zegt, want het slaat de spijker op zijn kop. Mijn blik zoekt naar de man die deze kerst tot een memorabele kerst heeft gemaakt en Mark volgt mijn blik. ‘Ben je hier met meneer Klaassen?’

‘Weet je wie hij is? Ken je hem?’ vraag ik lichtelijk verbaasd, al weet ik niet waarom.

‘Natuurlijk, iedereen kent meneer Klaassen. We kwamen allemaal graag in zijn antiekwinkel toen hij die nog had en hij is een beetje onze wijsgeer. Altijd een praatje maken. Hij lijkt er altijd precies te zijn als iemand met iets zit en dan lijkt hij ook altijd precies het juiste te kunnen zeggen. Heel veel mensenkennis, denk ik. Hij is onze kerstman.’

‘Kerstman? Hoezo dan?’ Er neemt een vreemd gevoel bezit van me, alsof er iets gebeurt wat eigenlijk niet echt kan. Iets waar je echt in moet geloven.

‘Zo noemen we hem graag. Iedereen heeft een kerstman in zijn leven nodig, hoe je het ook wilt noemen – God of Jezus, de kerstman, kan allemaal. Iemand die er voor je is als je gewoon even iemand nodig hebt. Iemand die het beste in je naar boven kan halen en ervoor kan zorgen dat je dat zelf ziet. Iemand om mee te praten. Om bij te huilen. Iemand die je helpt groeien, ook al heb je het niet door. Iemand die je in de juiste richting stuurt of je de wegwijzer laat zien. Iemand die je je later zult herinneren als de persoon die onverwachts heel belangrijk voor je is geweest. En hij speelt ook nog eens de kerstman voor de kinderen.’

Ik moet een beetje giechelen, half verwonderd en half gelukzalig. Ik kijk naar de jongen op wie ik op de basisschool verliefd was en die nog steeds vlinders in mijn buik doet fladderen van een soort dat ik al heel lang niet gevoeld heb. Ik kijk naar de man die zowat mijn hele leven lang mijn kerstman is geweest en ik kijk omhoog naar de sterren. Herinneringen. Geluk. Hoop. Een nieuw begin. Terwijl ik van mijn glühwein nip en Marks arm aanneem om al wandelend te praten over alles en niets, van alles en nog wat, vraag ik me af wat er nu vanavond precies gebeurd is. Maar ik neem het advies van meneer Klaassen ter harte en denk er niet over na. Ik geniet gewoon van het gevoel dat deze bijzondere Kerst me geeft.

Vrolijk kerstfeest allemaal!

 

Reacties

Er zijn nog geen reacties.




CommentLuv badge