De queeste die mijn scriptie heet

Onder Personal life Studeren en lesgeven op 18 januari 2019

‘’Zo vind je wetenschappelijke artikelen voor je scriptie!’’ ‘’Met deze tips ga jij een knaller van een scriptie schrijven!’’ Twee artikelen die ik al vol enthousiasme naar een mapje in mijn Google Chrome-bladwijzerbalk had gesleept nog voor ik daadwerkelijk met dat zo gevreesde afstudeeronderzoek was begonnen. Twee artikelen die ik uiteindelijk niet eens echt heb gebruikt, want als er iets is waar ik al snel achter ben gekomen, dan is het wel dat mijn scriptie geen gewone scriptie is. Maar het is een scriptie. Het is mijn scriptie, en ik ben er inmiddels al zo’n acht maanden mee bezig. Het is mijn scriptie, en nu het steeds vastere vormen begint aan te nemen, begin ik er ook echt razend trots op te worden. Maar poeh, wat een queeste is het, zo’n afstudeerproject. En wat een avontuur…

In den beginne…

Mijn scriptieavontuur begon met wilde fantasieën over knallers van onderzoeken naar de invloed van een spierziekte op leerprestaties en de verschillen tussen vmbo-tl en havo in lesmethodes Nederlands. Het begon met iets minder wilde fantasieën over onderzoeken die zich richtten op fictieonderwijs, schrijfvaardigheid, tekstbegrip en grammatica en het eindigde bijna toen ik in 2016 van koers veranderde omdat voor de klas staan niet bleek te lukken. Even leek het alsof er helemaal geen scriptie zou komen, tot ik aan de slag kon met een stage in het afstandsonderwijs Nederlands en ik niet alleen weer een begeleider had die opdracht tot onderzoek kon geven, maar ook weer een onderwijspraktijk waarin ik die scriptie voor me kon zien.

Het eerste idee

Het is eigenlijk heel gek om nu terug te kijken op hoe de scriptie die ik nu aan het schrijven ben, toentertijd – in het tweede semester van mijn vijfde jaar – begon, met flink wat wankele stappen in kinderschoentjes, zoals ik ook in mijn methodehoofdstuk schrijf. In eerste instantie was het idee om te gaan onderzoeken hoe het kinderen vergaat die na een periode van afstandsonderwijs weer instromen in het reguliere onderwijs Nederlands: is hun taalvaardigheid dan genoeg op peil om goed mee te kunnen komen? Is hun tekstbegrip goed genoeg, hun woordenschat groot genoeg, kunnen ze naar behoren schrijven en spreken?

Het onderzoek

Om dat te onderzoeken, dook ik mijlendiep in de wereld van ‘’mijn’’ organisatie voor afstandsonderwijs: ik analyseerde de werkbladen en de lesmethode, ik probeerde te analyseren of er hiaten waren in de leerstof en wat die dan zouden betekenen en ik haalde er visies op het vak Nederlands bij – en ik vond het allemaal echt heel boeiend en leuk om mee bezig te zijn. Ik schreef een vet uitgebreide verkenning die alleen nog maar breder werd toen bleek dat ik het kon combineren met een onderzoeksopdracht voor mijn minor Passend Onderwijs: toen kwamen er ook nog pagina’s bij vol met pedagogische analyses en algemeen-didactische principes en oh jongens.

Ik wil alles onderzoeken!

Ik vond het echt heel leuk, en ik was er echt heel trots op. Maar dit is het werk van een meisje dat op de middelbare school al ontiegelijk lang deed over het kiezen van onderwerpen voor werkstukken. Ik vind álles interessant. Als er in het afstandsonderwijs een bepaalde aanpak wordt gehanteerd voor schrijfvaardigheid, dan wil ik daar helemaal in duiken – maar ik wil ook weten waarom fictieonderwijs zus of zo wordt aangepakt én wat het betekent dat onderdeel X wat minder aandacht krijgt. Ik vind alles interessant. En dat… werkt niet heel goed als je een scriptie schrijft met een theoretisch kader dat, eh… niet langer dan acht bladzijden mag zijn. Volgens de syllabus.

Leren door klikken

In de afgelopen maanden heb ik iets belangrijks over mezelf geleerd met betrekking tot dit grote project: ik leer het beste door zelf heel scherp tot een inzicht te komen. Dat gebeurt tijdens colleges – ik moet in mijn hoofd een vertaalslag kunnen maken naar mijn eigen interpretatie – en het gebeurde ook tijdens mijn stage, toen ik op zeker moment zelf tot het keiharde besef kwam, door te ervaren, dat het niet lukte. Ik hou van uitproberen, uitzoeken, kijken wat werkt en wat de beste manier is om iets me eigen te maken… en dan komt er vanzelf dat klik-moment. Nu met mijn scriptie heb ik dat ook weer gemerkt: ik begon heel breed, probeerde dingen uit, werkte vooral in mijn eentje met begeleiders op stand-by, keek wat werkte… en op een gegeven moment klikt er iets. En dan is er het eureka-moment. Het ‘’oh. Dus dát is waar dit om moet gaan.’’-moment.

Het tweede idee

Dat moment kwam toen ik afgelopen najaar op aanraden van mijn scriptiebegeleiders aan de slag ging met een meer ingezoomd onderwerp, namelijk schooltaalwoordenschat. Hoe zeer ze mijn brede verkenning ook waardeerden, er moest echt een verfijning komen om straks over te kunnen gaan tot gericht praktijkonderzoek. En dus koos ik samen met hen voor een onderwerp dat heel erg leeft in het onderwijs in het algemeen én dat ook speelt bij mijn leerlingen nu: een gebrekkige schooltaalwoordenschat die ervoor zorgt dat leerlingen moeite hebben met het begrijpen van uitleg en opdrachten. Hoe uit zich dat? Waar hebben deze leerlingen precies moeite mee? Hoe komt dat en hoe kan er gewerkt worden aan de verbetering van dat stukje woordenschat?

Dit is het! Dit is het!

En dat… dat was de klik. Ik ging opnieuw analyses maken en ik kwam erachter: dít is dat vakdidactisch probleem waar mijn scriptie om moet draaien. Dit is het echte onderzoek, dit is wat ik kan analyseren en oplossen. Dit is zo boeiend en zo belangrijk! Ik schreef een probleemverantwoording, maakte een probleemschets, las onwijs boeiende artikelen over woordenschatproblemen en een didactische aanpak die taalgericht vakonderwijs heet en waarmee wordt gewerkt aan die schooltaalbeheersing en ik had allerlei inzichten over hoe dat in de praktijk zou kunnen werken. Ik schreef een methodehoofdstuk waarin ik verslag deed van het hele proces en bedacht steeds opnieuw: dit is de scriptie die ik eigenlijk moest schrijven, het onderzoek waarmee ik echt iets kan verbeteren en het project waarmee ik mijn studie een waardig einde kan geven. En dat voelt vet góed.

Het voelt góed!

Het voelt ook goed dat ik nu het idee heb veel bewuster bezig te zijn en veel meer de vinger te kunnen leggen op wat ik echt aan het doen ben. Het voelt goed dat ik de vragenlijst voor de interviews die ik wil afnemen nu hierop heb kunnen toespitsen in plaats van dat het een vaag gedoe van ‘’hoi vertel eens waar je tegenaan loopt’’ is. Het voelt goed dat ik al concrete plannen heb voor hoe ik mijn ideeën en inzichten kan verwerken in een product dat mijn stage verder kan helpen. En het voelt goed dat ik met die brede verkenning voor mezelf een kenniscontext heb gecreëerd die me heeft geholpen om het juiste probleem te kiezen en dat probleem in perspectief te zien. Wat ook nog eens goed voelt, is dat ik nu een veel beter beeld heb van hoe de scriptie uiteindelijk wordt, inclusief het aandeel van de minor – een stukje over algemene terugkeer en aansluiting.

Ik ben alvast trots

Natuurlijk ben ik er nog niet: op moment van schrijven wacht ik op feedback van mijn begeleiders op wat ik tot nu toe heb gedaan met dat schooltaalonderwerp en hoop ik dat ze snappen op welke lijn ik zit en dat dat de juiste lijn is. Er moet nog best wat gebeuren en het kan best zijn dat het nog een heel nieuwe richting uit gaat, maar ik ben blij met waar ik nu sta en met het feit dat de energie die ik erin steek, bij me terugkomt in de vorm van een voldaan ‘’volgens mij is dit echt iets goeds’’-gevoel. Het is niet makkelijk, maar wel heel leuk en boeiend – ook al word ik voor gek verklaard als ik zeg dat ik mijn scriptie leuk vind. En ik ben trots op de queeste die mijn scriptie heet, op hoe ik die ben begonnen en op waar die me tot nu toe heeft gebracht. Welke wendingen er ook nog komen, ik ben nu al trots op het eindresultaat dat straks in een glanzend mapje prijkt.

Heb jij ook een scriptie geschreven?

Gerelateerde berichten:

Reacties




CommentLuv badge